‘The Alias Men – De indrukwekkende filmografie van Alan Smithee’, in Oogst Magazine – Oogst 4 – december 2015

oogstDe slechtste regisseur aller tijden? Dat moet Ed Wood zijn. Maar wie het aantal lauw ontvangen films telt, moet in Alan Smithee een beducht tegenstander erkennen. De illustere regisseur timmerde vanaf 1969 aan een portfolio van meer dan zestig bedenkelijke films, series en documentaires. In 2000 regisseerde hij zijn zwanenzang, maar ook na zijn pensioen bleef hij langspelers maken.

MacGyverfans waren midden de jaren negentig razend enthousiast toen de toenmalige BRTN besloot de legendarische serie opnieuw te zenden. Eén van die fans die elke zondagnammidag op het woonkamertapijt aan het scherm gekluisterd zat, was ik. Fascinatie voor de inventiviteit van de ex-spion prikkelde mijn nieuwsgierigheid naar de geniëen achter al dat moois. Lang vergeten regiehelden als Alexander Singer, Cliff Bole en Lee H. Katzin lieten me week na week verlangen naar een nieuw avontuur van Angus MacGyver. Maar de regisseur met wie het allemaal begon, was Alan Smithee: een nieuw voorbeeldfiguur in mijn jonge leven.

Later ontdekte ik dat Smithee werkte aan topseries als ‘The Twilight Zone’, de videoclip draaide voor Whitney Houstons ‘I Will Always Love You’, en een vijftal Daredevilstrips tekende voor Marvel Comics. Maar in hoofdberoep was mijn nieuwe held filmregisseur. Officieel regisseerde hij vijfentwintig films, in werkelijkheid zijn het er een pak meer. Het verwonderde me dat de productieve filmmaker nooit in roddelbladen of op Oscarfeestjes verscheen. Tot met ‘An Alan Smithee Film: Burn Hollywood Burn’ een verpletterend besef kwam: Alan Smithee bestaat niet echt.

De geboorte van Smithee

Hoe kan de regisseur van MacGyvers memorabele strijd tegen diamantendieven nu niet bestaan? Voor de geboorte van Smithee moeten we terug naar het midden van de vorige eeuw. De Directors Guild of America streefde in de jaren vijftig naar de erkenning van regisseurs als auteur. Een belangrijke reden was de opkomst van de auteurstheorie: ondanks het radarwerk van acteurs, schrijvers en producenten, reflecteert een film vooral de creatieve visie van een regisseur. De vrijheid die die filmmakers vanaf de jaren zestig kregen, betekende een grote stap voor hun populariteit, en gaf mensen als Alfred Hitchcock een sterrenstatus. Maar met succes kwam verantwoordelijkheid: wie als auteur erkend was, bleef dit ook als een film niet al te best uitdraaide. Daarom liet de Directors Guild voor 1968 niet toe dat een regisseur zich van een film distantieerde. Voor regisseurs was een feilloos palmares echter essentieel. Hun reputatie ging hen voor, kon de waarde van een film opkrikken of kelderen, dus hadden ze er veel voor over om hun naam hoog te houden. Zo was Stanley Kubricks ‘Fear and Desire’ uit 1953 niet meteen een meesterwerk. Overtuigd dat zijn debuut amateuristisch was, kocht hij alle pellicule op om te verbranden. Uiteindelijk was dit tevergeefs, aangezien een vergeten exemplaar uit het George Eastman House in 2012 toch verscheen.

In 1969 besloot de Directors Guild dat een regisseur in extreme gevallen toch afstand kon nemen. De reden: ‘Death of a Gunfighter’. Robert Totten werkte in ’69 aan die Western, met Richard Widmark als sheriff die met ijzeren hand de vooruitgang in een westerndorp tegenhield. Grote ster Widmark kon zich weinig in Tottens visie vinden, alhoewel de regisseur zijn sporen verdiende met ‘The Legend of Jesse James’ en ‘Gunsmoke’. Totten werd daardoor na vijfentwintig draaidagen vervangen door Don Siegel, die een tiental dagen filmde. In de montage hadden ze beiden een gelijkwaardig aandeel, maar allebei wilden ze zich niet met de film vereenzelvigen, aangezien Widmark de touwtjes in handen had.

De Directors Guild of America lanceerde daarom een officieel pseudoniem voor regisseurs van verstoten films. Die naam moest tegelijk vertrouwd klinken en exotisch genoeg zijn. Het eerste voorstel was Al Smith. Aangezien die naam in Hollywood al voorkwam, viel de keuze op Alan Smithee. Dat dit een anagram was voor ‘the alias men’, was mooi meegenomen. Om het auteurschap van een regisseur te beschermen, was een naamswijziging op de titelrol aan strikte voorwaarden verbonden. Een misnoegd regisseur moest zijn aanvraag verdedigen voor een beoordelingscommissie en bewijzen dat de film zoveel bemoeienissen of nabewerking onderging dat hij niet als auteur kon worden beschouwd. Tegelijk mocht de regisseur geen kritiek uiten op de film of achteraf erkenning claimen.

‘Death of a Gunfighter’ werd de eerste op Smithees uitgebreide palmares. Het begon goed: de film was een grandioos succes, en recensenten prezen de uitmuntende regiekwaliteiten van de onbekende debutant. ‘Van Smithee zouden ze nog veel horen’, meende onder andere The New York Times.

aliasmen_final_01

Ruim vier decennia filmmaken

Smithee debuteerde met ‘Death of a Gunfighter’ sterk, en geen slecht woord over zijn latere MacGyverwerk. Dat geldt echter allerminst voor de rest van zijn portfolio. Ondanks zijn halve eeuw aanwezigheid op Amerikaanse releaselijsten, verdween het leeuwendeel van zijn films in de plooien van de filmgeschiedenis. Enkele topregisseurs zetten hun mindere projecten op zijn naam. Zo werkte Stuart ‘The Amityville Horror’ Rosenberg in 1986 aan de actiefilm ‘Let’s Get Harry’. Acteur Mark Harmon was tijdens het draaien nog geen beduidend acteur, maar het tv-drama ‘St. Elsewhere’, waarin hij speelde, werd tijdens de postproductie van de film razend populair. People Magazine verkoos hem tot ‘Sexiest Man Alive’, en TriStar Pictures was vastberaden die sterrenstatus uit te spelen in ‘Let’s Get Harry’. In Rosenbergs versie verscheen Harmon enkel aan het einde, maar het productiehuis voegde extra scènes met de acteur toe. Rosenberg wou daarop niets met zijn film te maken hebben, en Smithee nam de regie over.

Rosenberg was niet de enige succesregisseur die een mindere film liever kwijt dan rijk was. Rick Rosenthal had met ‘Bad Boys’ net een knaller uitgebracht – met een toen nog onbekende Sean Penn –, toen hij aan een vervolg op Hitchcocks legendarische ‘The Birds’ begon. ‘Birds II: Land’s End’ haalde de enkels van zijn voorganger niet, en actrice Tippi Hedren, die in beide vogelfilms acteerde, bekende dat ze zich grondig schaamde. Maar het was niet enkel de gebrekkige kwaliteit die Rosenthal stoorde. Hij was furieus dat kabelnetwerk Showtime zijn aanpassingen terugbracht naar het originele script, en daarom kreeg Smithee de credit.

Jaren na de ontdekking van Alan Smithee op de MacGyvertitelrol, leerde ik tot mijn verbazing dat ook een cultheld als David Lynch één van zijn films aan Smithee had toevertrouwd. In 1984 vroeg producent Dino De Laurentiis hem het boek ‘Dune’ van Frank Herbert om te zetten naar het witte doek. Lynch was op voorhand op zijn hoede door mislukte verfilmpogingen door onder andere de Chileen Alejandro Jodorowsky. Tijdens het filmen bleek dat hij zijn creativiteit niet kwijt kon in zo’n grote productie. De echte film kwam weliswaar uit onder zijn naam, maar bij de tv-versie uit 1988 mocht Alan Smithee de regie waarnemen.

Een film verwerpen lukte niet iedereen, aangezien de Directors Guild of America veel aanvragen weigerde. De bekendste afwijzing is waarschijnlijk ‘American History X’. Spijtig, want met die kaskraker kon Alan Smithee een gelauwerde meerwaarde op zijn conto schrijven. Regisseur Tony Kaye kon niet overweg met de inbreng van hoofdrolspeler Edward Norton, en zijn medewerkers getuigden dat met de debuterende regisseur onmogelijk samen te werken viel. Elk aanwijzing door productiehuis New Line Cinema of Norton ergerde hem. Uiteindelijk raakte Kayes relatie met de acteur op een dieptepunt toen de hij advertenties in de pers plaatste om Nortons reputatie te besmeuren. Dat was niet verstandig. Toen de regisseur zijn zaak ging bepleiten voor de Directors Guild, meende de commissie dat Kaye zich zo publiekelijk had uitgelaten over zijn frustraties, dat het weinig nut had Smithee erbij te halen. Norton op zijn beurt hield er een Oscarnominatie aan over.

De ondergang van Smithee

Aan alle carrières komt een einde. In Smithees geval was dit Arthur Hillers ‘An Alan Smithee Film: Burn Hollywood Burn’. In die parodie op de filmindustrie uit 1998 speelde Monty Pythons Eric Idle een regisseur met de naam Alan Smithee die zijn film ten onder ziet gaan aan studiodruk. Hij wil zich van de prent distantiëren, maar kampt met de nadelen van zijn naam. Ironisch genoeg wou ook Hiller uiteindelijk zijn naam van de titelrol, omdat de inmenging van schrijver Joe Eszterhas groot was. Zijn aanvraag werd gehonoreerd. Dit lijkt een geslaagde marketingstunt, ware het niet dat de film van zo’n kwaliteit was dat zowel publiek als critici afhaakten. Maar ook negatieve aandacht is publiciteit. Hoewel de film slechts in 19 bioscopen uitkwam, bezorgde de persaandacht het pseudoniem wereldwijde bekendheid. Samen met zoveel filmfanaten leerde ik de ware aard van Alan Smithee kennen, en de regisseursgilde besloot dat het tijd was om afscheid te nemen.

Zijn erkende zwanenzang is ‘Woman Wanted’ uit 2000, met Kiefer Sutherland als oorspronkelijke regisseur. Smithees opvolging werd datzelfde jaar verzekerd door de sciencefiction-horrorfilm ‘Supernova’ van Walter Hill. Nadat Francis Ford Coppola de film in opdracht van MGM opnieuw monteerde, distantieerde Hill zich. Met Smithee van de baan, moest de gilde op zoek naar een vervanger. De eerst was Thomas Lee, maar vanaf dan kreeg elke ontevreden regisseur een ander pseudoniem. Ondanks de beslissing van de gilde, maten filmakers zich ook na 2000 het alias aan, eventueel in gewijzigde vorm, maar steeds met een knipoog naar de onvergetelijke regisseur die zoveel beroerde films draaide. Voor de 3D-film ‘Hidden’ bracht Alan in 2011 een vriendin mee: het script staat op naam van schrijversduo Alan en Alana Smithy. Zo is Smithee zesenveertig jaar na zijn debuut nog steeds niet uitgefilmd, en blijft hij – zoals Guild’s Magazine poneerde – ‘the most famous nobody in Hollywood’.

Meer over Oogst Magazine op www.oogstmagazine.com

Oogst_Nr4_DEF_cover_web