‘Cinematografische derby Nederland-België’, in Extaze Literair Tijdschrift – nummer 16 – december 2015

Als Belgisch filmrecensent is scheidsrechter spelen bij een filmduel met Nederland allerminst onpartijdig. Maar als we over één kunstvorm chauvinistisch mogen zijn, is het cinema. Belgische regisseurs zijn de laatste decennia kind aan huis op internationale festivals, en lijken de verinnerlijkte auteurscinema los uit de mouw te schudden.

Toen in 2013 Borgman van Alex van Warmerdam naar Cannes trok, kopte de Volkskrant: ‘Sinds 1975 is het niet meer voorgevallen: een Nederlandse film die meedingt naar de Gouden Palm’. Terwijl Belgische filmmakers op het prestigieuze festival een tiental prijzen wegkaapten – waaronder tweemaal de Gouden Palm voor de broers Dardenne – bleef de Nederlandse filmindustrie op de veertigjarige lauweren van Jos Stelling’s Mariken van Nieumeghen rusten. Claudia Landsberger, voormalig hoofd van Eye Internationaal, relativeert de aanwezigheid van Belgen in Cannes echter. Volgens haar zijn bijna alle Belgische inzendingen coproducties met Frankrijk, en hebben Franse festivals nu eenmaal meer voeling met de eigen film. Toch kwamen de afgelopen vier jaar zeven van de vijftien Belgische aanwezigen in Cannes uit Vlaanderen. Ook voor de Oscars, waar Nederland het gewoonlijk beter doet – drie beeldjes tegenover nul – raakten de nominaties de laatste jaren door Belgen ingesneeuwd.

In eigen land doet de Nederlandse film het lang niet slecht. Toch liegen de cijfers er niet om: van de twintig meest succesvolle Nederlandse films verschenen er maar vier na 2000, waaronder tweemaal Gooische vrouwen. Dan mag België, met elf recente kaskrakers, waaronder de internationaal bejubelde Rundskop, De helaasheid der dingen en Loft, zichzelf op de borst slaan. Vooral op het vlak van de minder commerciële film heeft het land zich op de kaart gezet: The Broken Circle Breakdown, Le gamin au vélo, Deux jours, une nuitKid, Little Black Spiders en recent Le tout nouveau testament zijn films met een unieke eigenheid, die contrasteert met Nederlandse prijsbeesten als Terug naar Ibiza.

Eigen, herkenbare stijl

Producent San Fu Maltha, die onder andere Zwartboek van Gouden Kalfwinnaar en Oscargenomineerde Paul Verhoeven op zijn naam heeft, is streng voor zijn landgenoten: Nederlandse filmmakers zijn te snel tevreden. Regisseurs van succesvolle films komen snel op een pedestal terecht en missen daardoor zelfkritiek. In de Nederlandse filmwereld is het marktaandeel in het totale bioscoopbezoek de belangrijkste referentie voor succes. Kaskrakers als Gooische vrouwen breken met meer dan twee miljoen bezoekers records, en zijn belangrijk persvoer. Toegegeven, het valt toe te juichen dat creaties van eigen bodem het goed doen. Ook in België halen publieksfilms als Kampioen zijn blijft plezant mooie resultaten. Maar commercieel succes is maar één ding. Minstens even belangrijk, zeker om festivals over de landsgrenzen te overtuigen, is de artistieke waarde van een film.

Cinema hangt nauw samen met identiteit. Ook in Nederland is dat het geval: een gezonde handelsgeest die efficiëntie in het vaandel draagt en kwaliteitseisen hooghoudt. Dit zorgt voor flitsende cinema met topacteurs en technische perfectie die het publiek omverblaast. De Belgische film wil echter niemand omverblazen, maar zich onder de huid van de kijker nestelen en hem bevreemden door herkenning en voyeurisme. Waar Nederland het verhaal en de acteurs als vanachter een vitrine bekijkt, voelen Belgische filmmakers de drang die vierde wand te doorbreken: rauw en zonder belemmering. Net deze lef doet het internationaal goed. Door ruw realisme te combineren met een gedetailleerd kunstzinnig oog, veroveren Belgische regisseurs de wereld. Het contrast tussen Vlaanderen en Wallonië vervaagt als het om cinema gaat. Of het nu om Harry Kümel, Michaël Roskam, Felix Van Groeningen, Bouli Lanners, Chantal Akerman, Fien Troch, Patrice Toye of Jean-Pierre en Luc Dardenne gaat, ze delen dat verinnerlijkte naturalisme. Realisme houdt allerminst gebrek aan verbeelding in. Zo is het recente Le tout nouveau testament van Jaco Van Dormael een magisch-realistische parel. Verstilling, aandacht voor de zelfkant van de maatschappij en menselijke kleinheid geven de Belgische cinema een eigen, herkenbare stijl: auteurscinema waarin visie en urgentie de scepter zwaaien.

Authentieke cinema

Die eigen stijl resulteert allesbehalve in een formulefilm. Het sleutelwoord is authenticiteit. Een succesvolle Belgische prent houdt een stuk van de ziel van de regisseur gevangen. Nederlandse cinema resulteert vaker in formulefilms. Ze worden op eenzelfde manier gemaakt, met ongeïnspireerde, glasheldere kwaliteit, een indrukwekkend Hollywood-gehalte en terugkerende topacteurs. Vooral die acteursgerichtheid maakt de bioscoopervaring ’anders’. Het zijn afgelijnde personages in een duidelijke wereld, terwijl de realiteit die structuur niet kent. Michiel de Ruyter, de epische avonturenfilm van Roel Reiné, is daar een mooi voorbeeld van. Alles aan de film is groots, maar de stinkende realiteit van de Gouden Eeuw ontbreekt. Cinema moet je naast horen en zien ook ruiken en voelen. Dergelijke films vergeten de kleinheid van een mens. Dat maakt de Nederlandse film vaak groter dan de werkelijkheid: personages gaan de maatschappij te boven, terwijl ze hoogstens hun eigen kleine kantjes mogen overstijgen.

In België is de commerciële film in hetzelfde bedje ziek, maar in de creatievere industrie is de auteursstempel hoog goed. Regisseur Christophe van Rompaey benadrukt het belang van de persoonlijke film. Hij heeft met avondvullende speelfilms als Aanrijding in Moscou en Lena zowel ervaring in Nederland als in België. Volgens hem zijn kenmerkend Nederlandse films met nationale helden in een goed verhaal niet mis, maar ze gaan de grens niet over. Filmfestivals willen onderscheidende cinema met een eigen visie. Dan zijn personages belangrijker dan de plot. Een sterk scenario werkt enkel als de personages ermee verweven zijn. Succesvolle Belgische films gaan over herkenbare thema’s, geworteld in de werkelijkheid, met mensen van vlees, bloed, en tranen. En dan nog liefst gespeeld door niet te bekende karakterkoppen.

Filmen of sterven

Voor authentieke film is urgentie nodig. Dit komt sterk naar voren in de Oost-Europese cinema, waar regisseurs de noodzaak voelen hun verhaal te vertellen. Ook in de Belgische film leeft dit sterk. Het zit in het dna van de makers: streven naar een eigen stem, want voor je het beseft loopt de wereld je onder de voet. Werkloosheid, industrialisatie en de-industrialisatie, voorsteden, verveling en kleinburgerlijkheid hoeven geen onderwerp te zijn, maar vormen vaak het decor waartegen de Belgische film zich afspeelt. Een goede Belgische filmmaker wil per se dat specifieke verhaal vertellen, en zorgt er cinematografisch voor dat het voor het publiek urgent wordt. In Nederland ontbreekt deze noodzaak. Volgens Ally Derks – oprichtster van het prestigieuze Amsterdamse documentairefestival idfa – is het leven in Nederland te comfortabel om urgente films te maken. Er zijn uitzonderingen. Zo verraden films van de Pools-Nederlandse Urszula Antoniak – Nothing Personal, Code Blue – een drang naar dit soort cinema. Alsof ze doodgaat wanneer ze het niet kan neerzetten.

Budgettaire ruimte

Het onderscheid tussen de Belgische en de Nederlandse cinema gaat verder dan alleen verschillen in stijl. Veel internationaal geprezen kenmerken van de Belgische film bestaan dankzij een gunstig filmklimaat. Om onbelemmerde, hoogdringende, rauwe en gedurfde cinema te maken, is financiële onafhankelijkheid een voorwaarde. De belangrijkste speler is het VAF. Het Vlaams Audiovisueel Fonds is de opvolger van het Fonds Film in Vlaanderen, en de tegenhanger van het Nederlands Filmfonds. Waar het oude fonds politiek gestuurd werd, is het vaf onafhankelijk. Doordat restricties zijn weggenomen, kunnen filmmakers gedurfde films maken en staat de persoonlijke cinema los van commercieel belang. Ook in Nederland ondersteunt het Filmfonds de producenten, maar het verschil zit hem in de verdeling: in Vlaanderen gaat vijfenzestig procent naar de eigenzinnige film en slechts vijfendertig naar de publieksfilm. Puur commerciële producties ondersteunt het vaf al helemaal niet: die zijn op de markt aangewezen. In Nederland is het omgekeerd: de budgettaire hoofdmoot gaat naar de commerciële publieksfilm. Daarbij komt dat het Nederlands Filmfonds een marketingplan en medezeggenschap over de eindmontage vraagt. Steun garandeert daardoor geen vrijheid, maar een compromis tussen persoonlijke cinema en wat een breed publiek aanspreekt.

Een minstens even cruciale Belgische troef is de Tax Shelter: de belastingmaatregel die het fiscaal aantrekkelijk maakt in films te investeren. Hoewel bijschaving nodig is – een groot percentage van het geïnvesteerde blijft hangen bij banken en tussenpersonen – was die stimulans bepalend voor de rijke filmproductie van de laatste decennia. Zonder het vaf en de Tax Shelter was van de Belgische prijswinnende en kunstzinnige filmindustrie weinig terecht gekomen. Door het gebrek aan steun kan de Nederlandse publieksfilm het marktaandeel moeilijk handhaven, en krijgt de kunstzinnige film het moeilijk.

Nederland moet leren trots zijn

Uiteindelijk zijn Nederland en België twee kleine landen die een artistieke filmstempel willen drukken op een miljoenenindustrie. Voor twee delen van een klein taalgebied is het opmerkelijk dat er verschillen zijn. Toch is er ook een wisselwerking. Zo maakte de Belg Jan Verheyen een Vlaamse remake van de Nederlandse succesfilm Alles is liefde. Omgekeerd kreeg de best bekeken Belgische film aller tijden, Loft, een Nederlands jasje van Antoinette Beumer. Dit is een bizar gegeven: een film in dezelfde taal woord na woord bewerken – vooral de vrouwelijke karakters bleken aan herschrijven toe. Als taalgebied kijken we naar Hollywood-producties zonder ergernis over het ver-van-mijn-bedgehalte, maar bij de Nederlandstalige film gaan we op zoek naar een herkenbaarheid die we met moeite lijken te kunnen vinden. Een mooie uitzondering is Lena van Christophe van Rompaey. De film speelt zich af in Rotterdam en kwam met Nederlands geld tot stand. Maar de Belgische manier waarop van Rompaey met het uitdagende scenario van Mieke de Jong aan de slag ging, gaf de film een bijzonder naturalistisch gevoel.

De Nederlands filmmaker Marco van Geffen heeft er een goed oog op. Hij vindt dat Nederlanders moeten leren trots te zijn op hun eigen filmcultuur. Van Geffen is een van de regisseurs die Nederland opnieuw op de internationale kaart zet. Dat doet hij met overtuiging. Zijn Onder ons had succes op het filmfestival van Locarno, en zijn korte film Het zusje werd voor Cannes geselecteerd. Volgens Van Geffen zijn films als Code Blue, en R U There het levende bewijs dat de Nederlandse cinema op de goede weg is en dat de volgende jaren steeds meer Nederlandse films hun weg naar Cannes zullen vinden. Tot dan mag België zich nog even tot winnaar kronen van de Nederlands-Belgische cinemaderby.

extazebanner3

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s