Nummer zes – kerstverhaal (gepubliceerd in K&theCity, magazine K in Kortrijk, december 2014)

page_1Dennis vertrekt om half vier op kantoor. Op een dag als deze vertrekt iedereen wat vroeger. De wereld maakt zich klaar. Enkel: Dennis maakt zich klaar voor een eerste zonder zijn vader. Die stierf dit jaar, zesenzestig jaar oud. Het lijkt oneerlijk. Terwijl zijn vrouw op dit moment de laatste hand legt aan een onvergetelijke maaltijd met zijn broer en de kinderen, heeft Dennis vooral zin om het allemaal een keertje over te slaan. De cijfers waarmee ze het jaarverslag afsloten voor het winterreces spelen hierin zeker mee: de dakloosheidscijfers swingen jaar na jaar de pan uit. Ondanks opmerkelijke inspanningen bleek dit niet meer dan een druppel op een hete plaat. Dat maakt een mens moedeloos. ‘Aan goede wil geen gebrek, maar die vrede op aarde zal nog even moeten wachten,’ denkt Dennis. Kerst is een tijd van vreugde, maar ook van kleinheid en bewustzijn van het leven. Dennis weet dat zijn neerslachtigheid zal keren. Lekker eten, wat uitstekende wijn en leuk gezelschap sluiten gauw de deur voor wat buiten in de kou staat. Het is een kwestie van je geest tot rust te brengen en open te staan voor de kleine dingen die het leven voor je in petto heeft.

Dennis ontwijkt een gehaaste voorbijganger en houdt halt bij een etalage met ouderwets speelgoed. Tinnen treintjes, een opwindbare muzikale tol, houten schrijnwerktuig, blikken dozen met afbeeldingen van de inwoners van Keromar of helden die Marvelstrips bevolken, een puzzel van negenennegentig stukken met het huwelijk van Boudewijn en Fabiola, tot een recent vernist schommelpaard met staart van gitzwart paardenhaar.  Een slinger heldere gloeilampen verlicht de toonbank, gesierd met groene dennentakken en zilveren slingers die een protserige indruk geven. Te midden van dat alles: een zwart-witte Williams FW08, schaal 1:24. Dennis herkent het meteen. Acht maanden sparen had hij achter de rug, toen hij begin november 1982 besefte dat de glorieuze nummer zes uit de reeks nergens meer te krijgen was. De zes: die zwart-witte scheurmachine die alle turbowagens het nakijken liet. Met brede achterwielen, lage neus, robuuste, maar toch aerodynamische staart. Van bovenaf leek de wagen een vleermuis die met gespreide vleugels voorbijraasde. Zwarte vleugels, wit lijf. Een vleermuis in volle vlucht met de kleuren van een ekster. Het speelgoedautootje bezat alle glorie van dit wonder der techniek, die gelegaliseerde wegpiraat die Williams voor eenmaal boven Ferrari, McLaren, Renault, Lotus, Tyrrell en Alfa Romeo bombardeerde. Een  monster op wielen, dat alle andere sportwagens overtrof, en dus fel gegeerd was. Dennis legde elke week tien frank zakgeld opzij, tot hij genoeg had voor een wagentje. 170 frank, zoveel kostte elk stuk. Telkens Dennis zijn neus boven de toonbank uitstak van Alberts speelgoedwinkel op de hoek van de Zebra- en Tijgerstraat, stelde hij tot zijn teleurstelling vast dat nummer zes de deur uit was. ‘Volgende keer beter,’ dacht de kleine telkens. Tot hij ze allemaal in bezit had, van één tot twaalf, met een schrijnend hiaat waar zes hoorde.

Wat was er zo bijzonder aan? Niet enkel de schitterende kleuren – dat glanzend zwart op matwit. Dat was puur esthetisch. Prestaties, dat was wat telde. In nummer zes won dat bewuste jaar vliegende Fin Keijo Erik Rosberg, Keke voor de vrienden en de verzamelde pers, het Formule 1-seizoen. Dat wereldkampioenschap werd grotendeels gedomineerd door turbowagens, maar Keke hield vast aan zijn vertrouwde wapentuig. Het was het eerste jaar dat ze tijdens een race mochten bijtanken. Dennis en zijn vader volgden wedstrijd op wedstrijd. Eerst vanwege de modelwagentjesverzameling, die hen verbond in een stilzwijgende hartstocht, een die moeder niet begreep. Daarna als een obsessie. Het drieëndertigste Formule 1-seizoen werd een turbulente editie. Kyalami, Long Beach, Imola, Zolder, Monte Carlo; Dennis leerde plaatsen in landen waar hij nooit van had gehoord. Hij faalde de negen provinciehoofdsteden op te sommen, maar kon Jacarepagua probleemloos in Brazilië situeren. Het was een bloedlink seizoen. Joseph Villeneuve katapulteerde in Zolder uit zijn bolide, liet een verbijsterde Mass achter zich – op wie hij het in zijn bekende roekeloze bloedzucht had gemunt – en overleed op het asfalt. Paletti knalde aan ruim honderdvijftig per uur op de stilstaande Ferrari van Pironi bij de start. Het was zijn eerste koers met de grote jongens, en meteen zijn laatste. Geen enkele piloot won er meer dan twee.  Nek aan nek, stuur aan stuur, wiel aan wiel: spanning sneed als een mes door boter. Rosberg werd wereldkampioen met slechts één Grand Prix op zijn palmares. Maar wat een zege. Wat een wedstrijd. Sierlijk als een libelle die over het wateroppervlak schaatst, schuurde de zes brullend over het asfalt, voorbij de finish. Een wagen met zo’n elegantie dat niets in de wereld Dennis meer kon bekoren. Het was in Dijon, op 29 augustus, dat Dennis zijn eerste liefde leerde kende. Zijn eerste grote verlangen. Zijn eerste onbereikbare droom.

Bij het zien van het sportwagentje in het uitstalraam kwam bij Dennis de spanning terug van het geduldig wachten, en de teleurstelling toen Albert van de speelgoedwinkel hem vertelde dat alles uitverkocht was. Maar nog meer de vreugde bij het openmaken van zijn kerstcadeau. De nummer zes zat veilig genesteld in piepschuim. Het racemonster; een beter rolde nooit de fabrieken uit. Zijn elf soortgenoten smolten eensklaps, verdwenen in het niets, alsof ze nooit bestaan hadden. Dennis voelde zich krimpen, plaats nemen achter het stuur, met vingertoploze rijhandschoenen en een stevige helm op zijn kruin. En zijn vader: hij was een held. Een capeloze superman, rechtstreeks uit zijn stripcollectie, voor wie geen uitdaging te groot was. Hij omhelsde zijn vader. 1982. Dennis had het ergens verborgen in een hoekje van zijn brein, en er nooit meer naar gezocht. Kerstmis 1982. Het was een van de gelukkigste dagen van zijn jonge leven. Dennis gaat de speelgoedwinkel binnen.

‘Mag ik die even vastnemen?’ vraagt hij de verkoper. De struise jongeman aan de kassa is al met zijn gedachten bij zijn feestmaal, en knikt ongeïnteresseerd. Dennis neemt het autootje van zijn pedestal. Heel voorzichtig, bijna sacraal, glijden zijn vingers over het model. Het rubber van de wielen voelt alsof het net het parcours heeft verlaten. Verschroeid. Dennis ruikt de verbrande, gesmolten rubber. De warme dampen van aangerand asfalt. De helling van de motorkap is egaal. De logo’s van Saudia Tag Techniques zo gaaf nagemaakt. Het zitje, waar de piloot hoort te zitten is groot genoeg voor een ringvinger: net leer. Een met nauwkeurigheid gemaakt veiligheidsharnas. De uitlaatpijp, minuscuul, verchroomd. Zweet, snelheid en kracht in tin verenigd. Veel is veranderd sinds die dag. Dennis houdt het wagentje in zijn ene hand en grijpt met de andere naar zijn portefeuille. Aan de andere kant van de ruit klampt een blonde krullenbol van een jaar of zes zijn vader aan en wijst naar het kleinood in zijn hand. Verschrikt drukt Dennis het wagentje tegen zich aan. Hij blikt naar de verkoper. Het jongetje overlegt met zijn vader. De wet van de sterkste, leeuw tegen leeuw. Enkel één welp kan overleven. De jongen trekt zijn vader opnieuw bij de mouw. Dennis telt wat in zijn portefeuille zit. Perfect. Een leven lang herinneringen hangen aan de nummer zes vast. Een gevoel van een ogenblik perfect geluk. Die jongen was nog niet eens geboren als de zes in Dijon onder het zwart-witte schaakbord binnen reed. Het is zijn volste recht. Hij was hier eerst. Dennis zet het wagentje terug in de toonbank, en beent de winkel uit.

Het is merkwaardig; hoe een mens met moeite herinnert wat zijn vrouw droeg bij de eerste ontmoeting. Of wat door hem heen ging toen de muur viel. Maar dat ene sportwagentje, dat zwart-wit-klein onbenullig goedkoop gefabriceerd speelgoed, daarvan weet Dennis exact hoe hij zich voelde op dat vervlogen moment in 1982. In een wereld die zo anders was dan die nu. In een leven waarin hij zelf zoon was, terwijl zijn vader er al niet meer is en hij zijn plaats heeft overgenomen.

Op de terugweg naar huis vraagt Dennis zich af waarom. Wat deed hem iets dat hem zo blij maakte afstaan? Het is geen naastenliefde. De jongen aan het uitstalraam heeft waarschijnlijk bij de volgende etalage even enthousiast gereageerd op een mechanische kraan, of langverwacht videospel dat eindelijk de rekken haalde. Het is niet dat olijk kerstsfeertje. Als dat doorslaggevend was, had het autootje vannacht op de schouw geprijkt. Het is een mengeling van tevredenheid en angst. Angst, omdat het fysieke object nooit opweegt tegen de kracht van de herinnering. Dit ene moment van herkenning liet hem zijn jeugd intens en drastisch herbeleven. Eén vonk, één krachtige ontsteking, om dan met kracht van ettelijke paarden voorbij te flitsen. De racewagen in huis halen zou dat moment teniet doen: elke keer hij het zou zien, zou de oorspronkelijke vreugde minder worden. Zoals het uiteindelijk het originele wagentje verging: Dennis kan niet terughalen wat er mee gebeurde. Net als veel kinderspeelgoed viel het ten prooi aan gewenning, vervolgens aan stofvergaring, om uiteindelijk te verdwijnen zonder gemis.

Maar ook uit tevredenheid. Als hij het gekocht had, was het voor hemzelf. Zijn beide zonen interesseren zich niet voor die modellen die je tegenwoordig enkel in geschiedenisboeken ziet. ‘Frappant,’ denkt Dennis, ‘om tegelijk heden en verleden te zijn.’ Zij juichen niet bij de overwinning van Rosberg. Zij huilen niet bij de onvoorstelbare beelden van die legendarische wedstrijd. En voor hen is dit geen kroonstuk op een zuurverdiende verzameling. Tegelijk is hun wereld nu de zijne. Hij heeft liefde, pijn, frustratie, onbegrip van de pubertijd, opwinding van jong-volwassenheid en uitdagingen van het prille ouderschap achter zich gelaten. De racewagen was als de Madeleine die Proust enkel door de smaak meesleurde op een reis door het geheugen. Dat autootje kan hem nu even laten wegdromen, maar hij wil de realiteit onder geen beding ruilen. Toen vader hem het pakje gaf, in 1982, was de gelegenheid uitgelezen. Over die situatie kan hij nu mijmeren, of proberen de geschiedenis te herhalen. Dennis weegt de zakken in zijn handen. In elke zat zit een nieuw en eigen soort zwart-wit racewagentje, in een andere vorm. Met een ander verhaal een andere context. Nu is hij de vader, zij de zonen. Dennis lacht. Hij wandelt door de straten naar huis. Sneeuw blijft dit jaar uit. Het belooft een mooie kerst te worden.

page_42 page_43

Een gedachte over “Nummer zes – kerstverhaal (gepubliceerd in K&theCity, magazine K in Kortrijk, december 2014)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s