‘Het op één na oudste beroep ter wereld: crisismanager’, in Eos Memo – nummer 10 – juni 2014

Eos memo juni 2014

Economische crisis een hedendaags fenomeen? Helemaal niet: ook de Grieken, de Romeinen en de Bourgondiërs hadden er mee af te rekenen. Solon van Athene, keizer Tiberius en Filips de Schone legden eigentijdse, maar soms verrassend herkenbare creativiteit aan de dag om hun recessies te lijf te gaan.

SOLON VAN ATHENE,

een modern schandaal in een antiek jasje

In de zesde eeuw voor Christus ging Athene gebukt onder politieke instabiliteit. De progressieve Diacriërs streden voor meer democratie tegen de Pediaeën, de aristocratische oligarchie. In het politieke centrum onderhandelden de Paralen of kustbewoners. Midden in dat gewoel bereikte de ongelijkheid tussen de landbouwbevolking en de rijke adel, de eupatriden, een triest hoogtepunt. Een politieke emancipatiestrijd was in de maak. Landbouwers stonden een zesde deel van hun oogst af aan hun landeigenaar. Die hectemoren (‘zesdedelers’) gaven hun lichaam en dat van hun kinderen hiervoor in onderpand. Wanneer ze door tegenvallende oogst niet konden betalen, vervielen ze in slavernij. Door de politieke onrust ging de export van agrarische producten achteruit. Daardoor kregen de hectemoren het steeds moeilijker. De landeigenaars waren niet geneigd schulden kwijt te schelden, aangezien ook slavenhandel een lucratieve bezigheid was.

DE FILOSOOF ALS STAATSHOOFD

Solon van Athene (° 640 voor Christus) was de zoon van de eupatride Execestides. Hij moest door de spilzucht van zijn vader zelf als hande- laar fortuin maken. Als we Aristoteles mogen geloven, legden die handelsreizen hem geen windeieren. Volgens de geschiedschrijver Herodotus haalde hij ook een groot deel van zijn kennis overzee. Solon was een van de zeven wijzen, de grootheden van de presocratische filosofie.

Hij stond de Atheners tijdens het conflict tussen Athene en Megara om het eiland Sa- lamis (ca. 600 voor Christus) als raadgever bij. Als volleerd populist sprak hij in eenvoudige versmeters de stem van het volk. Attica verkoos in 594 voor Christus Solon als heerser. Hij genoot het vertrouwen van de eupatriden door zijn afkomst, en van de bevolking door zijn reputatie. Zelf was Solon niet aan een strekking gebonden. Hij was een bemiddelaar zonder politieke kleur: een technocraat avant la lettre. Solon hervormde eerst het beproefde zes- dedelensysteem. Het lichaam in onderpand geven was voortaan verboden, en verkochte schuldslaven kregen een vrijstelling. Die maatregel stelde de vrije boerenstand veilig. Om de schuldenberg te lijf te gaan, devalueerde hij de drachme.

Oorspronkelijk was een mina drieënzeventig drachmen waard. Solon verhoogde dit tot honderd door het zilver in de legering te verminderen. Aangezien het schuldbedrag niet veranderde, werd de afbetaling lichter. Onteigende bezitters konden land terugkopen en grondbezitters leden geen gezichtsverlies, want zij moesten geen schulden kwijtschelden. Ook vergrootte Solon de concurrentiekracht van de polis. Athene draaide als handelsbasis op import van levensmiddelen en export van hoogwaardige ambachtelijke producten. Solon hield daarom de antieke wisselkoers in het oog: hij paste de waarde van de drachme aan de Per- zische munteenheid aan, de belangrijkste afzetmarkt.

De economische redding bombardeerde Solon tot held. Maar met po- litieke grootheid gaan schandalen gepaard. Solon had zijn devaluatie- plan getoetst bij een groep ingewijden. Conon, Cleinas en Hipponicus zagen de kans schoon om zich met die voorkennis te verrijken. Zij kochten net voor de devaluatie met een lening grote stukken land. Na de devaluatie betaalden zij hun lening terug, waarbij ze zevenentwin- tig drachmen per mina wonnen. Solon zuiverde zijn naam door aan te tonen dat ook hij een van de geldschieters was en een fortuin van meer dan vijf talenten had verloren.

KEIZER TIBERIUS

en de monetaire crisis van 33 na Christus

Keizer Tiberius Claudius Nero kwam in Rome aan de macht in 14 na Christus. De tweede princeps van het Romeinse rijk stond voor de taak Augustus’ Pax Romana te evenaren. Tiberius had zich door zijn militaire carrière al bewezen, maar zijn verstandhouding met de senatoren was niet zo best.

Tijdens zijn regering verhoogde Tiberius de belastingen nooit. Meer nog: toen Cappadocië een Romeinse provincie werd, kon hij ze zelfs verlagen. Door zijn zuinige beleid kon Tiberius een budget voor noodhulp opzijzetten. Tacitus wijst in zijn Annalen op de financiële tussenkomst van de keizer in 17 na Christus, toen een aardbeving twaalf steden in de provincie Asia verwoestte. Ook bij de economische impasse van 33 bleek dit noodbudget geen overbodige luxe. Augustus had tijdens de eerste twintig jaar van zijn heerschappij exuberante bedragen uitgegeven aan bouwprojecten en land voor oorlogsveteranen. Hiervoor werkte de munt overuren en eigende de keizer zich de schatkist van Cleopatra toe. Door die overvloed daalden interesten en steeg de waarde van vastgoed, waardoor heel wat nieuwe fortuinen ont- stonden. Die geldstroom daalde vanaf 9 voor Christus, en tot het jaar 32 na Christus ging de muntproductie elk jaar vijf procent achteruit. Tiberius inde niet enkel weinig belastingen, hij spendeerde ook weinig aan bouwprojecten. Doordat veel gouden en zilveren munten naar het buitenland gingen om importgoederen te betalen, daalde de geldcirculatie. Dit munttekort had verstrekkende gevolgen.

GERED DOOR DE KEIZERLIJKE SCHATKIST

Tacitus maakt gewag van een wet uit 49 voor Christus door Julius Caesar die woeker tegenging en het landeigendom per geldschieter limiteerde. Caesars wet moest de munt- en landwaarde stabiel houden, maar raakte in onbruik. In 33 na Christus besloot de senaat het tekort aan baar geld aan te pakken door overtreders achttien maanden tijd te geven om dit recht te zetten. Wie aan illegale interestwaarden geld leende, werd veroordeeld. Geldschieters hadden onvoldoende liquide middelen om dit in zo’n korte tijd te regelen. Daarom vroegen er veel hun leningen in een keer terug. De senaat vreesde dat de markt zou instorten door geldschaarste. Daarom eisten ze dat geldschieters twee derde van hun kapitaal in Italiaans land investeerden. Zo wilden ze de vastgoedmarkt stabiliseren. Nog meer leningen werden teruggeroepen, en de vastgoedwaarde bleef dalen terwijl interesten stegen. Kapitaalkrachtige burgers stelden angstvallig herinvesteringen uit.

Tiberius had zich in 27 teruggetrokken op Capri. Toen de crisis in Rome uitbrak, moest hij krachtig en snel reageren, zij het via briefwisseling. Eerst en vooral liet Tiberius de wet van Caesar opschorten. Hij gebruikte honderd miljoen sestertiën uit de keizerlijke schatkist om bankiers krediet te geven. Zo konden schuldenaren leningen aangaan zonder dat de banken risico liepen. Daarbovenop mochten banken en schuldeisers drie jaar lang geen interesten vragen. Hierdoor moesten gedupeerden hun onroerend goed niet uit noodzaak onder de prijs verkopen en kon Rome een crash van de vastgoedmarkt afwenden.

FILIPS DE SCHONE

en de Hollandse schuldencrisis

De Hollandse steden verkochten sinds de dertiende eeuw lijf- en losrenten. Bij een lijfrente leende de overheid een bedrag van een individu en keerde ze tot zijn dood een vaste rente uit. Bij een losrente betaalde de overheid elk jaar een deel plus een rentepercentage terug. Bij een losrente was het verschuldigde bedrag dus vastgelegd.

Dordrecht, Haarlem, Delft, Leiden, Amsterdam en Gouda maak- ten door expansieoorlogen grote schulden. Om de Utrechtse oorlog (1481-1483) te financieren, vroeg Maximiliaan van Oostenrijk de steden lijf- en losrenten te verkopen. Die collectieve renten, de gemene- landsrenten, konden ze echter niet tijdig uitbetalen. In 1484 vroegen ze toestemming voor een zesjarige belasting. Er volgden belastingen tot 1486, maar vanaf 1487 begon de bevolking te morren. Aan het eind van de vijftiende eeuw gingen de steden gebukt onder een reusachtige collectieve publieke schuld.

GEVANGEN IN EIGEN STAD

De lijfrenteniers bestreden de betalingsachterstand met het represaillerecht. Het stadsbestuur was een eedgenootschap, waarvan de leden trouw aan elkaar zwoeren. In plaats van te wachten op een rentebetaling eisten schuldeisers hun geld op bij de leden van dat eedgenootschap. Ze namen goederen in beslag van kooplieden uit steden met schulden. Wanneer ze geen koopwaar konden confisqueren, namen de renteniers handelaars gevangen. Hierdoor ontstond een klimaat van angst. Kooplieden uit de gedupeerde steden durfden hun stad niet uit. De markten in Amsterdam liepen leeg. Doordat het economische verkeer kromp, vielen de belastinginkomsten tegen. Die instabiliteit zorgde voor con- currentiestrijd tussen de steden, waardoor de rentevoet steeg.

In 1497 werd de situatie onhoudbaar en trokken de Staten van Hol- land naar Filips de Schone. Zeven raadsleden bestudeerden de kwestie grondig. Samen stelden ze een ‘Staet en ordonnantie’ op: een moratorium (uitstel van betaling) met voorwaarden om te garanderen dat de steden effectief tot schuldensanering overgingen. De ‘Staet’ van zeventien juli moest zowel de schuldenlast verzachten als toekomstige belastingen reguleren. Ten eerste eiste Filips dat de steden een deel van hun belastingopbrengsten gebruikten om schul- den te betalen. De Staten van Holland konden de eerste twee jaar 46.100 en de laatste twee jaar 36.686 gulden gebruiken. Het moratorium gaf tijd om de financiën op orde te brengen. Het represaillerecht werd ongeldig. Zo konden handelaren vrij reizen en kreeg de economie de kans om te ademen. De schuldeisers kregen de garantie dat achterstallige rente op tweeëntwintig jaar in vaste termijnen zou worden weggewerkt.

CENTRALISEREN ALS REDDINGSMIDDEL

Het ingrijpendst was de herverdeling van de schuld. In plaats van over vijf steden werd de schuld verdeeld over zeven kwartieren. Niet de van bestuurlijke grillen afhankelijke steden, maar de Staten van Holland inden de belastingen, de ‘schildtalen’. Door de centralisatie bleef maar één belastingtype over dat werd geïnd door één functionaris. Dit ver- hoogde de kredietwaardigheid van de publieke sector.

De ‘Staet ende ordonnantie’ van Filips de Schone doet denken aan het eisenpakket van Europa waarmee financiële hulp gepaard gaat. De eis tot publieke schuldsanering lijkt een verre voorvader van het wegwer- ken van de staatsschuld. Maar de meest opvallende gelijkenis is de moeilijke keuze tussen centralisatie en onafhankelijkheid. De discussie ‘meer Europa’ tegenover ‘nationalisme’ komt dan wel heel dichtbij.

Eos Memo juni 2014 I

Eos Memo juni 2014 II

Eos Memo juni 2014 III

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s