Ginsberg

Mijn handen trillen als ik de stemknop van de A-snaar een kwartslag tegen de klok in draai. Beter gezegd: het zijn de toppen van de pink en ringvinger van mijn linkerhand die vibreren. De vingers die de mechanieken effectief beroeren, opereren met gecontroleerde precisie. Onrust is een mentaal proces, maar een lichaam kan heel wat handelingen zonder nadenken tot in het oneindige herhalen. Zolang die in het verleden maar genoeg uitgevoerd werden. Een gitaar stemmen is zo’n handeling. The Yellow Door zit afgeladen vol. Maar opnieuw, sommige dingen hebben weinig te maken met bewuste processen. Zolang ik het me herinner, zit de tijdloze ontwijde muziektempel altijd vol. De weg vinden naar deze artistieke onderwereld is voor heel wat mensen een even groot automatisme als het nauwkeurig roteren van stemmechanieken. Het lijkt alsof vanuit hun huizen – met hoge smeedijzeren trappen naar de eerste verdieping – een levenslijn Montréal doorkruist die hen dwingt om plaats te nemen op de halfvergane stoelen waarvan er geen twee bij elkaar horen.

Links van me kreunt de door sigarettenrook vergrauwde buffetpiano van de muziekkelder. Bovenop het massieve instrument rust een laag glas met een bruinige vloeistof. Ik hoop dat het whisky is. Ik weet dat iedereen in de ruimte hoopt dat het glas whisky bevat, terwijl we allemaal al te goed beseffen dat het waarschijnlijk gewoon bier is. Doodgewoon verschraald bier dat toevallig is achtergebleven na een nachtelijke private muzieksessie. Want tijdens de openingsuren wordt in The Yellow Door geen alcohol geschonken; alleen koffie of thee. Maar het idee dat op de afgeleefde piano, waarover zelfs een jonge Leonard Cohen zijn vingers nog liet glijden, een rokerige, wegdommelende whisky wacht, is te mooi om onwerkelijk te zijn.

‘Ginsberg, laat je voor één keer niet leiden door je impulsen.’ Dat was het laatste dat ik vermanend tegen mezelf zei toen ik jaren geleden Montréal voorgoed verliet. Nog diezelfde nacht stapte ik in de tweedehands Ford Maverick die me van de stad waarin ik volwassen werd naar de plaats waar ik oud werd bracht. Mijn hoofd rustte tegen het autoraam rechts achteraan. Ik herinner me de straatverlichting, die een doorlopende lijn aan de horizon vormde en me in geen tijd liet indommelen. Opgelucht wist ik dat ik mijn mooie Montréal, die meest Europese der Amerikaanse steden, met de blauwste hemel van het continent, achter me liet. Ik weet nog welke muziek ze oplegde, met die onbetrouwbare cassettespeler van haar. Ze zat vooraan in de wagen, als enige helder genoeg om het zuiden te vinden. Ik kon enkel haar donkere haar zien, maar dat was voldoende. Ze was vastberaden voor ons allebei.

Toen kreeg ik te horen dat ze niet meer zou bijkomen. Het leek gisteren dat we de stad waren ontvlucht, maar de vergrijsde lok die ik uit haar gezicht streek was een spiegel voor mijn eigen ouderdom. Een genadeloos toeval had zich in haar brein genesteld en een einde gemaakt aan de impulsiviteit van onze rit. Ze had er duidelijk plezier in. Vanaf het moment dat ze voor het laatst haar ogen opende, heeft ze alleen maar gelachen. Ze besefte maar al te goed dat ze me had meegesleurd in een droom, maar dat ik moeilijk ontwaak. Haar vegetatieve lichaam hield een hand op de knop die de wekker even uitstelt. Tot het uiteindelijk genoeg werd en een schel monotoon geluid me vanuit de geborgenheid van de kamer de koude in dwong.

Er is niemand overgebleven in Montréal die me kan zeggen hoelang ik precies weg ben geweest. Of toch niemand die ik kan vinden. Niemand die zich kan herinneren hoe ik haar ontmoette op een dinsdagavond in de befaamde gele kelderruimte. Ze rookte een sigaret tegen de piano en wierp zich onversaagd in de nabespreking van het optreden. Ze lichtte de in rook en toonladders gehulde ruimte op, waar we collectief droomden van een elegante whisky maar de realiteit doorspekt was met koffie en verschraald bier. Ik was het zelf haast vergeten. Buiten Montréal is er niets meer, behalve een huis waarin ik gewoond heb, wouden, meren, bergen en enkele blinde vlekken op de kaart. Mijn hoofd gidste me naar de straat waarin ik volwassen werd, maar de onrust in mijn handen verleidde me ongemerkt in een andere richting. Zo stond ik onverwacht bovenaan de trap naar de gele, uitnodigende deur.

Dat mijn handen trillen, heeft weinig te maken met de altijd net te koude temperatuur in de lange smalle kelderruimte van The Yellow Door. Onrust speelt me parten. Ik realiseer me te goed dat die zal verdwijnen bij de eerste noot die ik aansla. Ik besef dat die eerste toon het einde zal betekenen van wat ik tot dusver als mijn werkelijkheid beschouwde. Het zal alles ongedaan maken wat ik tijdens die lange jaren heb meegemaakt, gekoesterd, aangeraakt, en vooral gevoeld heb. Ik weet niet zeker of ik ertoe in staat ben. Het liefst nog houd ik vast aan de versie van mezelf die ooit deze kamer, deze stad en dit leven verliet. Aan de verwonderde jongeman die achteraan de Ford Maverick zijn hoofd neerlegde en besefte dat hij bewust afscheid nam van een deel van zichzelf om de persoon te worden die hij liever wou zijn. Ik mis die kerel. Hij besefte nog dat de maakbaarheid van het leven een even grote illusie is als de mogelijkheid om doden tot leven te wekken. Maar in beide gevallen kan een grondige shock de klus klaren. Nu zit ik hier, gitaar in de hand alsof ik ze nooit heb achtergelaten, in een vochtige kelder vol dromen, verwachtingen en ambitie die lonkt naar wie maar wil inhaleren. Op deze plaats werden enkele van de meest gerecycleerde verzen ooit voor het eerst uitgesproken. Ik ben bang om echt terug te zijn. Mijn vingers zoeken houvast op de nek, maar balanceren als vier onzekere koorddansers op de nylonsnaren. Gelukkig is wie weet wat iemand missen is. Met een grillig majeur zeven akkoord wis ik het verleden uit.

Stem & productie: Laurence Ostyn